Palácio Nacional de Queluz is de 18e-eeuwse zomerresidentie van de Portugese koninklijke familie Bragança, gelegen op vlakke, formele terreinen in de plaats Queluz tussen Lissabon en Sintra. De bouwwerkzaamheden begonnen in 1747 in opdracht van de latere koning Pedro III op de plek van een eerder jachthuis, en het paleis kreeg gedurende de tweede helft van de 18e eeuw vorm — met zijn roze gepleisterde rococogevels, gebeeldhouwde kalkstenen ornamenten en parterres met buxushagen in Franse stijl, waardoor het de bijnaam 'het Portugese Versailles' kreeg.
Binnen is de Troonzaal het pronkstuk: een lange rococogalerij in wit en goud, met spiegelwanden die geslepen kristallen kroonluchters weerkaatsen en een beschilderd plafond ter ere van de Bragança-dynastie. De Ambassadeurszaal en de kleinere Don Quixote-kamer — de slaapvertrek waar koning Pedro IV in 1798 werd geboren en in 1834 overleed, met taferelen uit Cervantes op het koepelplafond — liggen naast privévertrekken die grotendeels bewaard zijn gebleven zoals de koninklijke familie ze achterliet.
De formele tuinen werden aangelegd in Franse stijl onder leiding van Jean-Baptiste Robillion, de Franse architect die ook de rococointerieurs vormgaf, met parterres, mythologische loodsculpturen gegoten in het atelier van de Britse beeldhouwer John Cheere, een betegeld kanaal en buxushagen gesnoeid in geometrische patronen. De Portugese School voor Ruitkunst treedt op in de tuinen, in de voormalige koninklijke manegebaan. Met ongeveer 200.000–300.000 bezoekers per jaar is Queluz een rustiger, meer ontspannen alternatief voor de drukke heuvelpaleizen van Sintra.